Jaguar XK180 update: Laag bij de gronds!

Bij deze de tweede update van de bouw van de Jaguar XK180 replica. Eigenaar Eric Fintelman is bij Automobielrestaurateurs Fokkens in Apeldoorn druk bezig om zijn exemplaar net zo mooi te maken als een van de slechts twee originele exemplaren.

Jaguar XK180 replica

Jaguar XK180 replica

De auto is verlaagd en staat nu heel wat fraaier op de wielen. Zie voor het verschil de foto hier onder:

Jaguar XK180 velg

Jaguar XK180 velg

Vanaf nu zal de techniek onder handen genomen worden, waarvan we hopelijk over twee weken weer verslag kunnen uitbrengen.

Link: www.xk180.nl

Deze serie wordt mede mogelijk gemaakt door Fokkens Automobielrestaurateurs BV in Apeldoorn, waar de auto gebouwd wordt.

Meer lezen over Jaguar? Koop een boek! Klik op een van de onderstaande covers:
[amazonshowcase_428f128998717526333f59c3047a7a16]

Techniek: CH3(CH2)6CH3

Nee, je leest het goed! Dit is echt de titel! Het is namelijk de scheikundige samenstelling van een octaan. Kortom, we gaan het hebben over benzine. Het voedsel van een motor. Zelf hebben we bepaalde voedingsstoffen nodig om goed te kunnen functioneren. Voor een motor is dat niet anders. Waar wij echter met junkfood nog prima kunnen leven, – en in veel gevallen het zelfs lekker vinden – , is dat met een motor wel anders. Waar wij er alleen wat dikker van worden, loopt een motor al snel schade op. Ok, als wij genoeg junkfood eten lopen we ook wel kans op dichtslibben van aderen met hartfalen tot gevolg, maar bij een motor gebeurt dat al vrij snel. Toch beseft bijna niemand wat hij/zij in de brandstoftank gooit.

Benzine, een licht ontvlambaar goedje. Maar het ruikt zo lekker. Het bestaat hoofdzakelijk ook koolstof en waterstofatomen. O.a. Benzeen heeft zo’n soort samenstelling, vandaar de naam benzine. Toch bevat moderne benzine maar zo’n 5% Benzeen, omdat het nogal kankerverwekkend is. Anders hadden we nu allemaal rare knobbels. Daarnaast bevat benzine een groot aantal additieven. De meeste zal ik echter niet gaan noemen, want dat boeit niemand. Een aantal belangrijke additieven zal ik echter wel behandelen.

Lood is bijvoorbeeld 1 van de additieven. Het komt voor in benzine sinds eind jaren 30. Tijdens de 2de wereldoorlog is ermee geexperimenteerd in vliegtuigen, om ze zo meer vermogen te geven. Dat is mogelijk, omdat lood het octaangetal verhoogt. Maar daar ga ik zo pas verder op in. Er zat zoveel lood in dat er rond de uitlaten zelfs lood op vliegtuigen zat. Na een vlucht was een vliegtuig vaak 10Kg zwaarder! Daarnaast zorgt lood ook voor een bescherming van veel onderdelen. Het is een relatief zacht metaal, waardoor het goed vibraties op kan vangen. En aangezien het in benzine zat werd het telkens opnieuw aangevuld. Lood zorgde er onder andere voor dat klepzittingen beschermd bleven, maar ook dingen als zuigerveren en de cilinderwanden hadden er baat bij. Toch is niet alles koek en ei met lood. En zoals oplettende lezers misschien al hebben gezien spreek ik in verleden tijd. Dat komt omdat lood tegenwoordig niet meer terug te vinden is in benzine. Het is namelijk nogal giftig. Zo erg zelfs dat er behoorlijke gezondheidsklachten van kunnen komen. Daarnaast gaat het de werking van catalysatoren tegen. Hoe ze precies werken kom ik nog op terug in een ander artikel, maar in het kort komt het erop neer dat het platina aangetast wordt, waardoor de catalysator zijn werking verliest. Tegenwoordig bestaan er genoeg andere additieven die het octaangetal ook verhogen, maar geen enkele die de werking van lood zo goed nabootst als beschermend middel. Om die reden moeten klassiekers ook vaak loodvervangers gebruiken. Wat je daarentegen ook kunt doen zijn geharde klepzetels in de cilinderkop laten persen. Overigens kan het niet veel kwaad om eens zonder loodvervanger te rijden. Normaliter zit er meer dan genoeg loodresidu in de verbrandingskamer om de motor nog veel langer te kunnen beschermen. Vaak genoeg zelfs 10.000Km.

Een ander belangrijk additief wat tegenwoordig in populariteit wint is ethanol. Dit is een soort alcohol, wat gewonnen kan worden uit plantenafval waar suikers inzitten. Eigenlijk is het niks anders dan gisting, waardoor je het ook kunt drinken. Ethanol wordt dan ook gebruikt in de drankindustrie. Het verhoogt het octaangetal, maar daarnaast voegt het ook extra zuurstofatomen toe aan de brandstof. Hierdoor treed er minder koolstofmonooxide (CO) vervuiling op. Ook dit is voor mensen en dieren giftig. Tegenwoordig wordt het al in brandstoffen in Nederland toegepast. Argos was daar het eerste mee. Dit is echter maar zo’n 5 procent. Ethanol kun je echter ook gebruiken als branstof op zich. E85 is zo’n brandstof. Het is een stuk schoner dan normale benzine, en daarnaast levert het een veel hoger octaangetal. E85 staat in dit geval voor 85% ethanol en 15 % benzine. Alleen een normale auto kan er niet zomaar op rijden. De motor moet er namelijk echt op worden afgesteld.  Aangezien het een brandstof is op alcoholbasis ontbrand het een stuk sneller, waardoor je later kunt ontsteken. Daarnaast moeten kunststof leidingen vaak vervangen worden door rubberen leidingen, aangezien het plastic op kan lossen. Helaas is het door de alcholbasis wel nodig meer brandstof te gebruiken. Waar een auto verheen gemiddeld 1:12 reed zal je nu nog maar 1:7 a 1:8 halen. Goedkoop rijden is het dus niet echt. Overigens verkoop Argos het. Voor E5 (of zelfs E10 en E15) hoef je echter geen aanpassingen te doen. Je motor kan dit prima verdragen.

Het octaangetal is bepalend voor de klopvastheid van brandstof, oftewel de weerstand tegen detonatie. Hoe hoger het getal, hoe hoger de weerstand tegen detonatie is. Detonatie is wanneer de ontbranding optreedt voordat het gewenst is, door een te hoog geworden druk. Een hoger octaangetal kun je in je voordeel gebruiken door met een hogere compressie te gaan rijden en door eerder te ontsteken. Beide hebben meer vermogen tot gevolg. Sommige auto’s schrijven echter al super benzine voor, waardoor er geen winsten meer te halen zijn. Euro 95 heeft zoals de naam al doet vermoeden een octaangetal van 95 RON en Super 97 een octaangetal van 97 RON. Tenminste, dat zou je denken. Euro 95 is aardig accuraat en schommelt zo rond de 94 RON a 95 RON qua octaangetal. Super benzine verschilt echter nogal. Nu heb ik gelukkig wel eens de nodige testen gedaan met verschillende soorten benzine, dus ik kan jullie redelijk goed zeggen hoe het echt zit. Hieronder volgt dan ook een rijtje.

Shell V-Power: 97 RON octaan
Total Excellium: 98 RON octaan
Argos 95/E5: 98 RON octaan
BP Ultimate: 102 RON octaan

Je kunt gelijk zien dat Ultimate er met kop en schouders bovenuit steekt in Nederland. Ben je op zoek naar meer vermogen dan is dit de manier om het beste van het beste eruit te krijgen. Ik rijdt er dan ook zelf alleen maar op. Mijn auto staat er zelfs op afgesteld, waardoor er met circuitgebruik zelf problemen optreden met andere benzine. Vooral V-Power deed het bij mij slecht. Dat is dan ook de rede geweest om benzine te gaan testen. V-Power is dan ook meer een marketingtool als wat anders. Brandstof was voor een gedeelte altijd al synthetisch. O.a. lood is een synthetische toevoeging geweest. Een leuk detail is echter de Argos 95/E5. Deze benzine staat in de markt als Euro benzine, maar is in feite een super. Daarnaas s het verrweg de goedkoopste van de 3. Ter vergelijking heeft E85 een octaangetal van rond de 120 RON. In de 2de wereldoorlog had de brandstof van de geallieerden zelfs een octaangetal van 150 RON

Bovenstaande getallen worden aangegeven met een RON getal, wat staat voor Research Octane Number. het is niks anders als een testproces volgens een bepaalde standaard. MON is een andere staandaar, wat staat voor Motor Octane Number. Dit is eigenlijk een meer accurate methode om het octaangetal te bepalen. Toch wordt RON veel meer gebruikt omdat het er eerder was. Inmiddels is ook iedereen er bekend mee. Ga je het dan veranderen naar MON dan zou je te veel vragen bij de pompen krijgen. MON  ligt namelijk 8 tot 10 punten lager dan RON. Overigens is dit wel een mooie verklaring waarom ze in de VS zulke lage octaangetallen hebben. Daar maken ze gebruik van een gemiddelde uit RON en MON. Tel er dus 4 a 5 punten bij op enje hebt een idee wat de waarden in RON zijn. Als ze daar tenminste wel goed aangegeven zijn op de pompen.

Wel heb ik een waarschuwing voor de meeste klassiekrrijders met hoge kilometerstanden 150.000 km of meer) : Ga niet zomaar reinigende benzine tanken! Koolstof zorgt voor een afzetting in de motor. Deze afzetting zit o.a. langs de cilinderwanden. Aangezien het er bij veel oude auto’s al jaren inzit, is de kans vrij groot dat de zuigerveren en zuigers zichzelf zijn gaan zetten langs de afzetting. Wanneer je reinigende benzine gebruikt kan deze afzetting oplossen en loskomen. Gevolgen ervan zijn olieverbruik (of een verhoging ervan) en de olie die nog in het blok zit raakt vervuild door benzine en verliest daardoor zijn werking. Heb je de motor echter net gereviseerd (of laten doen) dan raad ik reinigende benzines juist wel aan, aangezien het dan juist extra slijtage helpt voorkomen.

Dan zijn er nog spullen als octaanboosters en brandstofpillen en dergelijke: Wat betreft die pillen en dergelijke: Daarvoor is maar 1 plek, en dat is het ronde archief. Octaanboosters van Wynn’s en andere bekendere merken zullen wel werken als ze vloeibaar zijn, maar je zult er weinig van merken als je je motor er niet op afsteld. Pure aceton of pure alcohol zijn ook toevoegingen die werken. Maar omdat er nu al 5% ethanol gebruikt wordt in benzine, zal dit niet langer tot besparing leiden. Je kunt het echter wel als een octaanbooster gebruiken. Maar ook hierbij geld: je auto moet erop afgesteld worden wil je de effecten merken. En je benzineverbruik zal ervan steigen, al daalt je CO percentage. Vaste stelregels zijn er echter niet voor, en het kan wel degelijk tot schade leiden. Denk dan vooral aan zaken als lekkages, omdat de alcohol onderdelen zal aantasten. met name rubber en kunststof moeten het ontgelden.

Uitlaatgasproduceerd ook restgassen. Veel ervan ga ik niet noemen, maar wel de 2 belangrijkste: CO en CO2. Ze verschillen niet veel van elkaar in naam, maar wel in werking. CO2 is dit geval hetzelfde als wat wij uitademen Het wordt ook wel koolstofdioxide genoemd. Het is namelijk een resultaat van verbranding. Des te meer benzine een auto verbruikt, des te hoger is de CO2 uitstoot. Dit zullen ze echter niet metene bij de APK, maar wel in je portomonee. CO is daarentegen een giftig gas. Te veel CO en je wordt duizelig en valt flauw. Sta je daar langdurig aan bloot dan sterft je lichaam af door een zuurstofgebrek. CO mag daarom bij nieuwe auto’s og maar 0,5 of zelfs 0,3 % zijn van alle gassen die uitgestoten woren door de motor. Bij klassiekers is dat 3,5 , 4,5 of zelfs vrij, afhankelijk van het bouwjaar. Toch hoeft CO helemaal niet zo hoog te zijn. Het blijft een kwestie van afstellen. CO ontstaat doordat er onverbrande benzine  de motor uitgaat. Deze krijgen geen kans om te ontbranden, waardoor er CO2 ontstaat.

Dan nog wat afstelgegevens voor benzinemotoren: Benzine ontbrandt niet onder elke verhouding. Er is een bepaalde lucht/brandstofverhouding nodig om alles op een gecontroleerde manier te kunnen laten ontbranden. Onderstaande voorbeelden zijn wat van die waarden. Al deze waarden zijn overigens verhoudingen in gewicht. Het getal staat voor het gewicht van zuurstifdelen t.o.v. het gewicht van brandstofdelen. Er is dus heel wat lucht nodig voor een klein beetje brandstof, aangezien lucht bijna niks weegt! Wanneer er mensen zijn die beschikken over een lambdameter die nauwkeurig af te lezen is (een wide-band lambdameter), dan is 12,7 de waarde waar je je op moet richten bij vollast. Dit is de maximaal vermogen waarde. Op een CO meter zal dit rond de 5 a 6  procent CO zijn zonder catalysator.  Soms kan het echter noodzakelijk zijn om onder deze waarde te gaan zitten, om zo detonatie te voorkomen. Dit komt voor bij luchtgekoelde en  turbo/compressor-motoren. Waarden van 11:1 zijn dan niet ongewoon. Persoonlijk stel ik meestal af 12,5 om het safe te houden. 14,7 Is de waarde voor Lambda. Dit is de waarde waarop de catalsator het beste werkt. Onder deellast kun je de waarden het beste terugbrengen naar de 17:1, om zo een lager benzineverbruik te bewerkstelligen.


Tekst: Kevin “Kevski Style” Houtzager

Project M1-11: Het ontstaan van de Lotus Elise

De Lotus Elise. Al vanaf het allereerste begin ben ik er verliefd op en verslond alles wat ik maar kon vinden. Naast boeken, tijdschriften en brochures bood Discovery Channel ook informatie: Een blik achter de schermen, in de keuken van Lotus, toont wat er allemaal kwam kijken bij Project M1-11. De auto die later de naam ‘Elise’ zou gaan dragen, de naam van de kleindochter van de toenmalige Bugatti- en Lotusbaas Romano Artioli. Een naam die onlosmakelijk verbonden zou worden aan ‘rijplezier’. De Lotus Elise is in mijn ogen een absolute klassieker, ondanks zijn jonge leeftijd, en verdient dus zeker een plekje op Klassiekerrally.nl.

Wanneer je een paar uur vrij weet te maken, kan je hieronder de documentaire bekijken. Ondertussen probeer ik te sparen voor mijn eigen gooi-en-smijt-ijzertje, een Serie 1 die momenteel in Lochem regelmatig onderhoud krijgt tot de dag komt dat ik ‘m daar weg ga halen…

Foto: Rudolf Stricker

Techniek: Het Brandstofsysteem

Het brandstofsysteem is voor mij een afrodisiacum. Het verspreidt namelijk een heerlijk geurend goedje genaamd benzine. Jammer voor de diesel en gas rijders, want dat stinkt. En diesel smaakt nog minder lekker dan dat het ruikt (don’t even ask). Maar ja, op diesel moet je ook stoken en op gas moet je koken! Gas laat ik buiten beschouwing, aangezien er nooit echt af fabriek motoren zijn geweest die enkel op gas lopen. Dat laatste heeft er ook mee te maken dat gas een alternatieve brandstof is voor benzine. En ondanks een hoger octaangetal en lagere CO2 uitstoot, het gas ook zorgt voor een veel warmere verbranding. En aangezien een benzine motor ontwikkeld is met benzine als brandstof, zorgt gas voor extra slijtage. Met name kleppen, pakkingen en de cilinderkop zelf hebben zwaarder te lijden bij de montage van een gas systeem (LPG of Aardgas). Iedereen die erop rijdt, is in mijn ogen dan ook geen echte autoliefhebber. Je gaat namelijk geen dingen doen die je auto kunnen schaden. Diesel zal ik ook niet gaan behandelen, aangezien er eigenlijk geen echte klassiekers zijn die op diesel lopen. Tenminste, veel te weinig naar mijn idee? Toch gaat diesel wel voorkomen in onderstaand artikel. Waarom lees je vanzelf. Mochten er heel veel dieselrijders meelezen en willen jullie jullie er wel graag meer over weten? Post het dan in de comments.

Het brandstofsysteem bestaat uit verschillende onderdelen. Door de jaren heen is daar echter nogal wat verschil opgetreden qua onderdelen, doordat de systemen steeds efficiënter zijn geworden. Denk daarbij aan brandstofinjectie, die de carburateur verving. In eerste instantie ging dit nog mechanisch, zoals bij de Mercedes-Benz 300 SL. Later is daarvoor het motormanagementsysteem in de plaats gekomen, wat op dit moment nog steeds ontwikkeld wordt.

Maar we beginnen bij het begin: De brandstoftank. Eigenlijk niet meer dan een brandstofopslagpunt. Je haalt de opsluitdop eraf, doet de brandstof erin, dop erop en rijden maar. Toch is het niet zo simpel en zijn er door de jaren heen best wel wat aanpassingen geweest. In eerste instantie kom je het probleem van vacuümtrekken tegen. Een brandstofpomp blijft namelijk zuigen, maar aangezien de brandstoftank afgesloten is zou het vacuüm steeds groter worden. Hierdoor kan er geen benzine meer worden aangezogen. Om dat probleem te verhelpen is een vacuümklep ingebouwd. De klep werkt een kant op:  Zodra er vacuüm optreedt gaat de klep een beetje open om lucht binnen te laten. De lucht kan echter nooit naar buiten toe, tenzij je de tank opent om te tanken. Daarnaast is de tank in de loop der tijd voorzien van een tankinhoudsmeter. Wel zo handig als je weet wanneer je moet tanken. Anders gaat het vroeg of laat een keer fout. Daarnaast is de tank intern aangepast. Veel klassiekers zullen nog wel eens last hebben van klotsende tanken. In de loop der tijd hebben brandstoftanken aanpassingen gekregen aan de binnenkant van de tank. Je moet dan denken aan brandstofschotten. Deze houden het klotsen tegen door alleen onderin de schotten stroming toe te laten door gaten in de schotten. Voor normale straatdoeleinden is dit redelijk effectief. Enige probleem is dat ik voor mijn verdriet nog niet aan een bestaande tank ga lassen. Benzinedampen en lassen gaan namelijk slecht samen. Toch is er wel een oplossing voor die uit de racewereld komt. Wanneer je een brandstofvlotter hebt kun je deze meestal demonteren uit de tank. Het gaat om de sensor die het brandstofniveau meet. Als deze eruit is heb je toegang tot de binnenkant van de tank. Nu bestaat er tegenwoordig open schuim. Dit is schuim die vloeistof beperkt doorlaat. Het lijkt op een spons, maar spons houdt vloeistof nog te goed vast. En aangezien het een soort schuim is, is het goed kneedbaar. Hierdoor kan het gemakkelijk door de opening worden gestoken. Vervolgens vul je de tank helemaal, behalve waar de brandstofvlotter komt. Daarna plaats je het brandstofvlotter opnieuw en seal je die opnieuw af met speciale sealer. Op die manier heb je een niet klotsende tank. Bijkomend voordeel is dat brandstof de brandstof minder snel uit een tank kan lekken in geval van een serieus ongeval. Het enige nadeel is dat je tank eerder leeg is. Er kan sowieso minder in, maar her houdt de vloeistof ook meer vast in het schuim.

Vervolgens komen we aan bij de brandstofpomp. Eigenlijk het enige wat gelijk is gebleven, zowel bij benzine als diesel. Het enige verschil wat daartussen zit, is dat de brandstofdruk met de loop der jaren omhoog is gegaan. Dit vanwege het voordeel dat hoe hoger de druk, hoe beter de brandstof zich vermengt met lucht. Dat wordt ook wel atomiseren genoemd. Tegenwoordig is dat mogelijk door de betere afdichtmogelijkheden die er vroeger niet waren en vanwege de bewerkingsprocessen die veel efficiënter zijn geworden. Benzinesystemen begonnen vroeger met 0,1 Bar, wat later opliep tot 1 Bar. Injectiesystemen begonnen met 1 Bar, wat tegenwoordig rond de 3 tot 3,5 half Bar ligt. Huidige directe injectiesystemen in benzineauto’s draaien zelfs op 150 Bar. Toch zijn er wel meerdere verschillen in brandstofpompen door de jaren heen. Eerst waren de pompen mechanisch, waardoor ze op het motorblok gemonteerd waren. Brandstof werd naar gelang je motortoerental steeg, steeds sneller rondgepompt. Later kwamen er elektrische pompen. Deze kwamen aan de kant van de benzinetank, aangezien dat efficiënter is. Hoe dichter een pomp bij het te verpompen materiaal zit, hoe minder lucht er in de leidingen zit. De laatste variant is ook een elektrische pomp, maar deze zit in de brandstoftank zelf. De reden dat dit gedaan werd, is vanwege het geluid. Elektrische pompen kun je duidelijk horen. Door de pomp in de tank te monteren doet de brandstof en de tank zelf ook dienst als geluidsdemper. Met de komst van elektrische pompen kwam ook de komst van een retourleiding. Mechanische pompen werden aangedreven door de motor en waren toerentalafhankelijk. Elektrische pompen draaien op een vast toerental. Hierdoor wordt er vaak teveel benzine aangeleverd. Aangezien iets in het systeem het gaat begeven als de druk alsmaar hoger wordt, wordt de overige druk afgevoerd naar de benzinetank. Hierdoor houd je een constante brandstofdruk zonder dat deze alsmaar hoger wordt. Een klep die ook wel FPR (Fuel Pressure Regulator, wat niks anders betekent dan brandstofdrukregelaar) wordt genoemd, regelt de druk van de brandstof. Deze is mechanisch en gaat bij een vooraf instelde veerdruk open, zodat brandstof doorgelaten wordt naar de retourleiding. Tegenwoordig zijn er ook elektrische, maar worden voor zover ik weet nog niet toegepast in auto’s.

Een andere belangrijke toevoeging aan het brandstofsysteem is het toevoegen van een brandstof filter. Vanwege carburateurs werd dat voorheen niet echt nodig geacht. Dat hoefde op zich ook niet, aangezien de aanvoerroute van brandstof relatief ruim was in vergelijking met nu. Alle openingen waren in het carburateurtijdperk een stuk groter dan nu in het injectietijdperk. Vuil kwam daardoor rechtstreeks de motor in. Om dit niet te laten gebeuren werd er na de brandstofpomp en voor de carburateur een filter gezet, zodat het vuil daarin achter bleef. Ten tijde van de injectiesystemen waren de aanvoerroutes zo nauw dat het vuil bijna onmogelijk nog via benzine in de motor kon komen. Maar door diezelfde nauwere route kwam het wel voor dat injectoren verstopt konden komen te zitten. Herinnert zich iemand de voorvallen bij Shell pompen nog van een aantal jaren geleden? Om bovenstaande redenen adviseer ik dan altijd om minstens één brandstoffilter te plaatsen, maar liefst meerdere. Ikzelf maak eigenlijk altijd gebruik van brandstoffilters van vrachtwagens. Het voordeel is dat deze groter zijn, waardoor ze meer vuil kunnen bevatten dan normale filters bedoelt voor auto’s. Hierdoor hoef je filters minder vaak te vervangen. Als je ze toch van plan bent aan te schaffen, neem dan de doorzichtige varianten van kunststof. Hierdoor kun je zien hoe vul het filter is. Bij andere moet je het filter telkens open maken om dat te kunnen beoordelen. Neem ook geen variant van glas. Het ziet er dan misschien beter uit, maar glas kan breken door hevige trillingen. Leuk als je op klinkers rijdt en de boel spat uit elkaar. Een stilstaande auto en een spoor van benzine. Alleen nog iemand die een brandende sigarettenpeuk erop gooit en het wordt een groot kampvuur. Verder nog een persoonlijke stelregel van mijn kant: Plaats tussen elk component een filter. Als je een externe brandstofpomp hebt dan zou ik er eentje plaatsen tussen de brandstofpomp en de brandstoftank en tussen de brandstofpomp en de carburateur. Zekerheid voor alles. Na montage start de auto de eerste keer wel even lastig, maar dat is omdat de filters eerst vol moeten pompen, en de leiding ook, want die zal wel leeg zijn na montage van de filters.

Dan komen we uiteindelijk aan bij het onderdeel waar “the magic happens” : De carburateur. Uitgevonden rond 1885, maar het is niet helemaal duidelijk door wie. Vermoedelijk door Carl Benz, Wilhelm Maybach of Gotlieb Daimler. Wie het ook was, ik ben er blij mee. Eigenlijk is het een vrij simpel, maar toch ook ingenieus apparaatje wat brandstof met lucht vermengd. Dit gebeurt door luchtdruk. Des te sneller lucht stroomt, des te lager de luchtdruk. Doordat de luchtdruk wegvalt boven een sproeier, zal deze meer brandstof doorlaten. In een carburateur beweegt namelijk maar 1 ding als je het gaspedaal indrukt: De gasklep. Deze opent zich naarmate je het gaspedaal verder indrukt. Hierdoor versnelt de lucht zich met bovenstaande als resultaat. Natuurlijk zijn er zeker nog meer bewegende onderdelen, maar die worden niet door het gaspedaal bediend.

Door de jaren heen zijn carburateurs veranderd. De eerste carburateurs waren gemaakt met 1 afstelling in gedachte, waardoor ze niet verstelbaar waren. Gelukkig kwamen ze er al snel achter dat dit wel nodig was, waardoor we tegenwoordig steeds meer afstelmogelijkheden hebben. Denk aan zaken als een gasklep en de choke bijvoorbeeld. Daarnaast waren de carburateurs in het begin der tijden van onderaf naar boven aangezogen vanwege filteratie, maar daar kom ik nog wel een keer op terug in een ander artikel. Daarna kreeg je vooral carburateurs die van boven aanzogen werden. Tot slot kwam nog de van opzij aangezogen carburateur. Dit laatste is niet echt per direct een verbetering, maar heeft meer met de inbouwruimte te maken. Inmiddels zie je carburateurs alleen nog terug op sommige motorfietsen.

Injectiesystemen zijn sinds de jaren 80 gemeengoed geworden op auto’s en sinds ongeveer 2000 ook op motorfietsen. Al zijn er daar nog steeds die gebruik maken van carburateurs, Het injectiesysteem dankt zijn naam aan de injector. Niet veel meer dan een klein buisje met een nog kleinere openinging aan de kant van de motor met een klepje. Wanneer nodig injecteerd deze brandstof. Bij 6000RPM is dat 3000 keer! Het injectiesysteem bestaat echter al  veel langer. In 1894 werd het patent aangevraagd door ene meneer Diesel en in 1897 was de eerste dieselmotor een feit. Diesel kan namelijk alleen geïnjecteerd worden onder een hoge druk. Simpel gezegd is diesel te dik en zwaar om met zuurstof te vermengen onder normale druk. Op auto’s werd dit echter niet veel toegepast, aangezien het systeem vrij kostbaar was en vooral ook complex. De eerste benzineinjectiesystemen zien we dan ook terug in de luchtvaartindustrie, waar geld niet zo’n grote rol speelt. Zeker niet in oorlogstijd. Technologisch voordeel wordt daar ten alle tijde uitgebuit. In de Tweede Wereldoorlog maakte dan ook zo’n beetje elk vliegtuig gebruik van brandstofinjectie, aangezien de brandstof niet terug kon vloeien in de leidingen door de hogere G-krachten. Stel je zou een bocht van 3G maken en doet dit 5 seconden, dan zal een brandstofsysteem van 0,5 Bar niet tegen dat soort krachten op kunnen werken. Het komt er dan ook op neer dat de motor gedurende die 5 seconden geen benzine krijgt, of heel weinig. Iets wat je absoluut niet wilde, want dan sloeg de motor af in de lucht. Probeer hem dan maar op tijd te starten!

Deze injectie is echter nogal wat anders dan de injectie van vandaag de dag, aangezien de injectie zelf mechanisch gebeurde. Er werd gebruik gemaakt van een elektrische brandstofpomp, maar injectoren werkten met een vacuüm. Dit systeem is voor het eerst op auto’s toegepast door Robert Bosch. Het bekendste systeem kennen we van de Mercedes-Benz 300 SL, maar dat was niet de eerste productieauto die gebruik maakte van het systeem. De allereerste auto was namelijk de Goliath GP700 E. Dat was een 2-takt  2 cilinder. En het had een techniek die we pas sinds enkele jaren weer terugzien in de huidige injectiesystemen: Directe injectie. Elke injector zat namelijk in de cilinderkop geplaatst. Hierdoor was injectie vrij precies en door de hoge druk vernevelde alles nog eens zeer goed. Voor die tijd werden er dan ook zeer hoge vermogens mee bereikt. Helaas houdt daar het leuke verhaal wel op. De systemen waren namelijk vrij duur in vergelijking met carburateurs. Ook het onderhoud was prijzig, aangezien er speciaal getrainde monteurs voor aan te pas moesten komen. Maar dat was niet het enige probleem. Vaak genoeg bleven de injectiesystemen langer injecteren dan nodig was. Als de motor al uit stond bijvoorbeeld. Het resultaat was dan dat benzine langs de zuigerveren lekte en zorgde voor vervuilde motorolie. Bij 2-takt was dat geen probleem, aangezien deze toch geen olie in het carter had, maar bij 4takt wel. Vanwege bovenstaande feiten is de carburateur nog jarenlang aan de macht gebleven. Toch zag je het in de racewereld wel veel toegepast worden, om zo extra voordeel te hebben ten opzichte van de competitie.

Totdat eind jaren 70, begin jaren 80 computers en elektronica hun intrede deden. Zij zorgden ervoor de elektronische injectie tegenwoordig gemeengoed is. Onderdelen waren vanaf dat moment betrouwbaar genoeg. Met nadruk op genoeg, want het is nog steeds niet altijd even betrouwbaar, zoals met injectoren van Delco een tijdje terug in Mercedes-Benz motoren. Elektronische injectie begon in de jaren 70 als een vervanging voor de carburateur. Het was één enkele injector, die op de plaats zat waar voorheen een carburateur te vinden zou zijn. Deze injecteert vervolgens de brandstof in de luchtstroom. Dit was efficiënter omdat de druk hoger was, waardoor brandstof beter atomiseert. Tegenwoordig weten we echter dat hoe dichter je bij de zuigers injecteert, hoe beter dit is. Daarom zijn in de jaren 80 en 90 de injectoren verplaatst. Ze zaten nog steeds in het inlaatspruitstuk, maar nu was het één injector per cilinder, en soms zelfs twee. Het voordeel hiervan is dat er een kleinere injector gennomen kon worden, waardoor de efficiëntie bij lagere toeren toenam. Dit kwam op zijn beurt weer doordat grotere enkele injectoren vaak te veel benzine inspoten op lagere toeren en te weinig op de hoge toeren. Nu hoefde men geen compromis meer te sluiten. Daarnaast kwam de injectie dichter bij de zuiger, wat de efficiëntie nog verder deed stijgen. De meeste auto’s van tegenwoordig hebben dit systeem nu nog steeds. Tenslotte is er nog de laatste ontwikkeling: Directe injectie. Eigenlijk bestond dat al in de tijd van de 300SL, maar dan mechanisch. Het grote verschil is dat het hier elektronisch is. Dat het zo lang geduurd heeft, komt door de hogere kosten van het systeem. De kwaliteit van de componenten moeten namelijk flink hoger zijn. Injectoren in de cilinderkop staan immers bloot aan hoge temperaturen. Mitsubishi met hun GDI motoren is hier het eerste mee geweest. Toch is het pas echt groot geworden sinds Volkswagen het gebruikt op hun motoren. Steeds meer fabrikanten stappen over, waaronder sinds dit jaar Ferrari. Door directe injectie kunnen ontzettend hoge drukken gebruikt worden voor een perfecte verneveling van brandstof met lucht. Daarnaast blijft er ook geen brandstof meer achter in het inlaatspruitstuk zelf.

Vervolgens zal ik nog een aantal Mythes de wereld uit proberen te helpen:
- “Door een injectiesysteem te monteren gaat mijn geluid verloren”.
Absoluut niet het geval! De burble die je hoort bij het loslaten van je gas is onverbrande benzine die in je uitlaat alsnog verbrand. Met een programmeerbaar injectiesysteem is dit gewoon te realiseren. Maar bedenk je wel het volgende: Waarom zou je? Zeker met de huidige benzineprijzen?
- “Injectiesystemen halen de charme van mechanica weg”.
Persoonlijk vind ik van wel, maar het is niet per definitie waar. As je zou willen kan je nog steeds een carburateur monteren, waarvan alleen de gasklep nog werkt. Vervolgens plaats je ergens onder het spruitstuk de injectoren. Op die manier heb je wel het aangezicht van een carburater, maar de efficiëntie van een injectiesysteem.
- “Injectiesystemen starten efficiënter”.
Niet waar! Een auto start net zo goed als hij staat afgesteld. Denk hierbij ook aan onderhoud van het ontstekingssysteem (http://www.klassiekerrally.nl/techniek-ontsteking-afstellen-en-servicen/). Ik ken injectiemotoren die slechter starten dan carburaturermotoren.
- “Injectiesystemen leveren meer vermogen”.
Niet per definitie waar. Een carburateur kan net zoveel vermogen leveren. Zeker als we kijken naar maximaal vermogen en koppel. Enige uitzondering zijn de direct ingespoten injectiemotoren. Die halen meer rendement, maar niet veel meer. Het echte rendement komt door de hogere compressie doordat de benzine het mengsel afkoelt. Dat gezegd hebbende kun je er wel van uit gaan dat onder alle andere omstandigheden een injectiesysteem beter functioneert. Ze houden veel meer variabelen in de gaten en passen de injectiewaarden daar constant op aan. Waar je op maximaal vermogen niet tot nauwelijks verschil zult merken, is dat bij alles behalve maximaal vermogen wel het geval. Verder is er vaak meer koppel en vermogen beschikbaar over het gehele toerenbereik dan een carburateur. Maar verwacht geen levensgrote verschillen. En het blijft zo dat een injectiesysteem net zo goed is als het staat afgesteld.
- “Carburateurs verbruiken meer benzine”.
Waar! Dat komt met name door de lagere druk en omdat ze verder van de cilinders af zitten. Daarnaast heeft een injectiesysteem meer mogelijkheden om variabelen aan te passen, waardoor het efficiënter met brandstof om kan gaan.  En het blijft zo dat een injectiesysteem net zo goed is als het staat afgesteld.
- “Injectie is ingewikkeld”.
Hangt er vanaf waar je goed in bent!? Met wat kennis van computers en Excel kom je een aardig eind. Wel zul je moeten weten wat een auto nodig heeft. Ga je een systeem plaatsen dan is het lastiger als het plaatsen van een carburateur. Afstellen vind ik persoonlijk makkelijker, aangezien je geen vieze handen krijgt, en niet elke keer onderdelen hoeft te vervangen.

Dan hebben we nog het volgende voor de racers onder ons: Brandstof kun je koelen. En door de brandstof te koelen, koel je ook de ingaande lucht. Des te kouder lucht is, des te meer zuustof het bevat, waardoor je meer vermogen krijgt. Het enige nadeel is dat ik nog geen permanente oplossing heb voor het permanent koelen ervan. De oplossing is vij simpel: Je hebt een stuk koperleding nodig die dezelfde dikte heeft als je brandstofleiding. Alluminium mag ook, maar geen staal. Het moet namelijk makkelijk warmte op kunnen nemen en af kunnen staan. Vervolgens gebruik je iets als een soepblik of ander rond voorwerp. de enige vereiste die er is is dat je er een deksel voor kunt vinden of maken. Vervolgens eet je de inhoud van het blik eerst op en maak je hem schoon. Daarna maak je aan de bovenkant 2 inkepingen waar 2 leidingen precies doorheen kunnen. De leiding gaat aan de ene kant naar beneden in een spiraalvorm. Des te mer windingen des te beter. Vervolgens gaat hij vanaf onder  weer naar boven en de tank uit via de ander inkeping. Beide inkepingen kit je vervolgens af met siliconenkit. Daarna vul je de tank met koud ijs en alcohol, voor een langdurig effect. Maar het kan ook met gewoon ijs en water. Bedenk je dan wel dat het effect niet bijster lang zal duren. Tot slot doe je de deksel erop om het geheel af te sluiten en plaats je dit tussen de brandstofleiding van je auto. Brandstof wordt hierdoor rond het vriespunt.  Ter vergelijking heb ik een stelregel: Wanneer je de inlaatlucht 2 graden kouder de motor in laat stromen, staat dit gelijk aan 1% meer vermogen. Een rendement van 5 tot 10% is dus haalbaar….

Tekst: Kevin “Kevski Style” Houtzager

Poll: Welke carburateurs hebben jullie?

Tja, met zo’n vraag als dit weten jullie vast al waar het volgende artikel over zal gaan!? Maar aangezien ik wat meer inhoudelijke  info wil geven, heb ik eerst wat info van jullie nodig. Ik zet hieronder dan ook een poll op met de vraag wat voor carb’s jullie het liefst uitgelicht willen zien? Ik zal ze zeker niet allemaal oppakken, en misschien wel niet eens degene voor welke het meest gestemd wordt, maar toch hoop ik dat jullie willen stemmen. Het plan is om er toch wel een aantal uit te lichten. Overigens staan lang niet alle merken erbij, omdat de poll niet mee wil werken. Het beste kun je buiten het stemmen om ook even in de comments zetten om welke type carb het gaat….